Wie kan aansprakelijk worden gesteld bij een ongeval op school?

Een leerling kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld indien hij een onrechtmatige daad beging en hiervoor ook schuldbekwaam was. Indien het gedrag van de leerling objectief gezien wel onrechtmatig was, maar de leerling niet schuldbekwaam was, worden de ouders en/of de toezichthoudende leerkracht wel vermoed aansprakelijk te zijn.

Een ouder kan op basis van verschillende juridische gronden aansprakelijk worden gesteld, o.m.:

  • voor zijn/haar persoonlijke fout
  • als ouder van een minderjarig kind dat door een (objectief) onrechtmatige daad schade berokkent aan een derde.

Ouders worden vermoed aansprakelijk te zijn voor de daad van hun kind, maar kunnen dit weerleggen door aan te tonen dat zij geen fout maakten in hun toezichtsplicht en in de opvoeding van hun kind.

De aansprakelijkheid van de ouders vervalt niet wanneer hun kind op school is.

Een leerkracht kan op basis van verschillende juridische gronden aansprakelijk worden gesteld:

  • voor zijn/haar persoonlijke fout
  • als bewaarder van een gebrekkige zaak
  • voor een onrechtmatige daad van een leerling die onder zijn/haar toezicht stond.

De onderwijsinstelling kan op basis van verschillende gronden aansprakelijk worden gesteld:

  • voor haar persoonlijke fout
  • als bewaarder van een gebrekkige zaak
  • als werkgever/aansteller of vrijwilligersorganisatie voor de daden van hun personeel of vrijwilligers.

 

De aansprakelijkheid van leerkrachten

Een leerkracht die niet handelt zoals een redelijk vooruitziende en voorzichtige leerkracht zou doen indien deze geplaatst zou zijn in dezelfde omstandigheden, begaat zelf een fout.

De leerkracht kan echter enkel persoonlijk aansprakelijk worden gesteld worden indien hem/haar opzet, een zware fout of een gewoonlijk voorkomende lichte fout kan worden verweten. De leerkracht kan dus niet persoonlijk worden aangesproken voor zijn/haar gewone fout in de uitoefening van de beroepsactiviteit. Het slachtoffer kan zich wel richten tot de onderwijsinstelling die aansprakelijk blijft voor de fout die de leerkracht beging.

Voorbeeld: Een leerkracht laat zijn leerlingen alleen achter tijdens een Riscki-schooluitstap terwijl de leerlingen niet over voldoende maturiteit beschikken om alleen gelaten te worden. Indien een leerling of een derde door deze fout schade oploopt, kan hij/zij een schadevergoeding vragen van de onderwijsinstelling. Het slachtoffer kan de leerkracht zelf enkel persoonlijk aanspreken indien hij kan aantonen dat de leerkracht hiermee een zware fout beging of dat de lichte fout gewoonlijk voorkwam.

Een leerkracht wordt vermoed aansprakelijk te zijn voor de schade die aan derden werd veroorzaakt door een leerling die een onrechtmatige daad beging op een moment dat hij onder het toezicht stond of moest staan van die leerkracht.

  • Het slachtoffer moet aantonen dat de leerling een onrechtmatige daad beging. Met andere woorden, indien de daad van de leerling niet onrechtmatig was, kan ook de leerkracht hiervoor niet worden aangesproken.
    • Voorbeeld: Bij het spel 'tikkertje' verliest een leerling zijn evenwicht wanneer hij 'getikt' wordt. De 'tikker' ligt misschien wel mee aan de oorzaak van de val, maar handelde niet foutief. De tikker, noch de toezichthoudende leerkracht kunnen voor de schade veroorzaakt door de valpartij worden aangesproken.
  • Het aansprakelijkheidsvermoeden geldt voor alle leerlingen ongeacht hun leeftijd. Het is dus van toepassing voor zowel de daden van kleuters als die van meerderjarige leerlingen.
  • De leerkracht kan het vermoeden van zijn aansprakelijkheid weerleggen door te bewijzen dat hij/zij voldoende toezicht uitoefende op de schadeverwekkende leerling.

De leerkracht kan enkel persoonlijk worden aangesproken in geval van opzet, zware fout of een gewoonlijk voorkomende lichte fout en dus niet voor zijn/haar gewone fout in de uitoefening van de beroepsactiviteit. Het slachtoffer kan zich wel richten tot de onderwijsinstelling die aansprakelijk blijft voor de fout die de leerkracht beging.

Voorbeeld: De bosklassen worden afgesloten met een kampvuur. Enkele jonge heethoofden halen brandende takken uit het kampvuur om tekens in elkaars jassen te branden. De toezichthoudende leerkracht wordt vermoed aansprakelijk te zijn voor de schade die hierbij wordt toegebracht. Dit vermoeden wordt weerlegd indien bijvoorbeeld wordt aangetoond dat het gedrag van de leerlingen zo onvoorzienbaar was dat de leerkracht dit niet kon beletten. Aangenomen wordt dat de leerkracht niet persoonlijk door het slachtoffer aansprakelijk kan worden gesteld indien hij bewijst dat hij geen opzettelijke, zware of gewoonlijk voorkomende lichte fout beging. Het slachtoffer kan zich wel keren tot de onderwijsinstelling waarvoor de leerkracht werkt. Voor zover het gaat om minderjarige kinderen, kan het slachtoffer ook inroepen dat de ouders van de onvoorzichtige leerlingen worden vermoed aansprakelijk te zijn voor de toegebrachte schade. Indien het slachtoffer zelf mee aansprakelijk wordt gesteld omdat hij bewust meedeed aan de gevaarlijke activiteit, zal hij een deel van zijn schade zelf moeten dragen.

Belangrijk! Een absoluut toezicht wordt van de leerkracht niet verwacht. De toezichtsverplichting wordt in alle redelijkheid en rekening houdend met de concrete omstandigheden beoordeeld.

Van de leerkracht wordt wel verwacht dat hij/zij het toezicht afstemt op verschillende factoren zoals:

  • de leeftijd van de kinderen: hoe jonger de kinderen, hoe meer en nauwlettender toezicht wordt verwacht
  • de grootte van de groep
  • het karakter van de leerlingen.

Kunnen vrijwilligers ook aansprakelijk worden gesteld voor de gevolgen van een schoolongeval?

Veel vrijwilligers engageren zich om te helpen bij tal van schoolactiviteiten. Denk bijvoorbeeld aan de leesmoeders, klusjesouders, extra begeleiders bij uitstappen.

Om het vrijwilligerswerk niet te ontmoedigen, werd in de vrijwilligerswet vastgelegd dat een vrijwilliger die voor een 'vrijwilligersorganisatie' activiteiten verricht, niet persoonlijk buitencontractueel aansprakelijk kan worden gesteld voor de fouten die hij/zij zou begaan tijdens die activiteiten. Die aansprakelijkheid wordt gedragen door de 'vrijwilligersorganisatie'.

Dit betekent, met andere woorden, dat de vrijwilligers een gelijkaardige aansprakelijkheidsregeling hebben als de werknermers. Ook de vrijwilligers kunnen immers enkel nog persoonlijk buitencontractueel voor hun onrechtmatige daden worden aangesproken bij opzet, zware fout of een gewoonlijk voorkomende lichte fout.

Voobeeld: Een vrijwillige begeleider van een avontuurlijke wandeltocht schat op onzorgvuldige wijze de veiligheid van een oversteekplaats boven een 'kloof' fout in. Een leerling komt zwaar ten val. De onderwijsinstelling is als 'vrijwilligersorganisatie' aansprakelijk voor deze onvoorzichtigheid. De vrijwilliger kan voor zijn/haar gewone fout niet persoonlijk worden aangesproken.

Belangrijk! Sommige vrijwilligers werken niet voor een 'vrijwilligersorganisatie' in de betekenis van de vrijwilligerswet. Denk bijvoorbeeld aan ouders die onbaatzuchtig meehelpen aan de organisatie van een wandeltocht georganiseerd door een oudervereniging die de vorm van een feitelijke vereniging aanneemt. Zij genieten geen immuniteit van aansprakelijkheid voor hun gewone fouten. Zij zijn steeds persoonlijk aansprakelijk voor de schade die zij door hun fout berokkenen tijdens hun vrijwilligerswerk.

De buitencontractuele aansprakelijkheid van de onderwijsinstelling

De instelling die het vrij onderwijs inricht, de overheid die het gemeenschapsonderwijs inricht, de gemeente of de provincie, hierna de 'onderwijsinstelling' genoemd, kan op verschillende gronden aansprakelijk worden gesteld.

De onderwijsinstelling kan zelf een fout begaan, door bijvoorbeeld nalatigheid in de organisatie van een bepaalde activiteit.

Als bewaarder van een gebrekkige zaak, kan de onderwijsinstelling aangesproken worden voor de vergoeding van de schade van de benadeelde.

Voorbeeld: een kleuter valt uit de klimboom van de speelplaats doordat hij steunde op een rotte tak.

De onderwijsinstelling kan aangesproken worden als aansteller (werkgever of openbare rechtspersoon) of 'vrijwilligersorganisatie', wanneer het personeel of een vrijwilliger een fout heeft begaan of aansprakelijk wordt gesteld door een daad van een leerling of als bewaarder van een gebrekkige zaak.